Diminutives is the sixty-second (assuming read left to right) skill in the Dutch language tree. It contains four lessons. The skill teaches the use and formation of the diminutives, words that can express cuteness or smallness (more on that later).

Tips and notesEdit

Shape and FormationEdit

Diminutives are much more common in Dutch than in English. They all end in -je, but commonly have something before them:

  • -tje, which is added to nouns ending in vowels, w's, or nouns that end in a long vowel followed by l, n or r.
  • -etje, which is added to nouns ending in short vowels followed by a single l, n, ng, m or r.
  • -kje, which is added to nouns ending in -ing.
  • -pje, which is added to nouns ending in -m.


Diminutives can be used to express any or all of the following in Dutch:

  • Express how small something is:
    • kat, "cat"+-je = katje, "kitten."
  • Express mistrust or contempt
    • De kaas heeft een vreemd smaakje. = The cheese has an odd taste.
  • Express cuteness
    • Wat een zoet belletje! = "What a sweet little bell!"
  • Express something positive
    • Lekker wijntje! = "Delicious wine!"

They also can sometimes be used to make whole new words that have different meanings:

  • de telefoon = telephone
    • het telefoontje = phone call


Lesson 1Edit

  • het briefje = note
  • het doosje = box
  • het huisje = house
  • het mandje = basket
  • het lampje = lamp
  • het kastje = cabinet

Lesson 2Edit

  • het mannetje = male
  • het blaadje = leaf
  • het vrouwtje = female
  • het raampje = window
  • het broertje = little brother
  • het zustje = little sister

Lesson 3Edit

  • het eitje = egg
  • het autootje = car
  • het kopje = cup
  • het glaasje = glass
  • het jongetje = little boy
  • het boompje = tree

Lesson 4Edit

  • het telefoontje = telephone call
  • het baby'tje = little baby
  • het omaatje = grandma
  • het biertje = beer
  • het dingetje = thing
  • het vriendje = friend


Duolingo Lesson:

Community content is available under CC-BY-SA unless otherwise noted.